Sign up with your email address to be the first to know about new products, VIP offers, blog features & more.

Economie is filosofie – Deel 1

Over de invloed van filosofie op het economisch denken
door Arjo Klamer

Is marktwerking in het onderwijs een zegen of een vloek? Wie moet betalen voor kunst? Is een vertrekpremie van een paar miljoen exorbitant of juist goed? Betaalt u uw kinderen voor de klusjes die ze doen? Zouden inwonende kinderen die werken, mee moeten betalen aan het huishouden? Moeten moeders een cao hebben? Het lijken allemaal economische vragen, maar omdat ze allemaal gaan over wat goed is in het dagelijks handelen, zouden ze ook voor filosofische vragen door kunnen gaan.

Met dit soort vragen begon het denken over economische kwesties. De naar ons weten eerste denker die ze nadrukkelijk aan de orde stelde, was Aristoteles (384-322 v. Chr.). Hij vroeg zich bijvoorbeeld af wat de essentie van een huishouden, de oikos, was. Het ging hem om de nomos van de oikos, de oikosnomos, dat we nu uitspreken als ‘economie’. De belangrijkste functie van een huishouden was volgens Aristoteles: voorzien in de behoeftes van haar leden. De taak van arbeid viel volgens hem de vrouwen en slaven toe, omdat de mannen zich bezig dienden te houden met de politiek en, als hoogste ideaal, de filosofie.

 

Morele discipline

Idealiter is de oikos geheel zelfvoorzienend. Maar om praktische redenen kan het gebeuren dat een oikos buiten de deur goederen moet verkrijgen. In dat geval wordt ze gedwongen te ruilen met mensen van buiten de eigen kring. Volgens Aristoteles is die interactie oneigenlijk. Aristoteles hanteerde het begrip chrematistike voor deze ruil. Voor hem is chrematistike moreel problematisch, omdat het indruist tegen de natuurlijke neiging van mensen om zich met andere mensen te verbinden, zoals ze dat doen in een oikos. De relatie die we met de ander aangaan in een ruil, is louter instrumenteel.
Door zo in te zetten bepaalde Aristoteles economie als een morele discipline, die ons liet nadenken over het goede en het goede handelen. Hij zette de toon voor het denken over economische vragen in de eeuwen die volgden. Het ging in die tijd bijvoorbeeld over de vraag of kooplieden goede mensen kunnen zijn, met als gevolg dat het commerciële handelen overgelaten werd aan buitenstaanders als Chinezen, Arabieren en joden. En over de vraag of mensen die geld uitleenden daar rente voor mochten berekenen. Deze laatste vraag werd ontkennend beantwoord: het was moreel verwerpelijk om geld met geld te verdienen, want dat strookte niet met het door Aristoteles geformuleerde doel van geld. Ook de middeleeuwse filosoof Thomas van Aquino (1225-1274) stelde veel van dergelijke vragen en beantwoordde ze aan de hand van de Bijbel en Aristoteles.

 

Het was moreel verwerpelijk om geld met geld te verdienen.

Arbeidsdeling

En toen verscheen Adam Smith (1723-1790) op het toneel. Met zijn traktaat The Theory of Moral Sentiments (1759) had hij zijn faam als moreel filosoof gevestigd. Een cruciaal begrip in deze morele verhandeling is het menselijk vermogen om zich in te leven in het lot van een ander. Zelfs de grootste schurk is niet zonder een dergelijk vermogen, schreef Smith in de beroemde openingsalinea van zijn boek. Hij wees op het belang van deugden als zelfbeheersing, vrijgevigheid en generositeit. Smith’ grote voorbeeld was de Schotse filosoof David Hume. Hume had zich ook met de economie bezig gehouden, maar Smith wilde er een heel traktaat aan wijden. Dat werd zijn nu beroemde boek An Inquiry into the Causes of the Wealth of Nations, gepubliceerd in het jaar van de Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring (1776). Het boek begint met de vraag waarom sommige landen zoveel rijker zijn dan andere. Met name de Nederlanden deden het heel goed en ook Engeland was in die tijd een economische grootmacht. Smith wijst op het belang van arbeidsdeling. Arbeidsdeling maakt mensen efficiënt en slim, omdat iemand die slechts een enkele taak te vervullen heeft, de neiging zal hebben te bedenken hoe hij deze taak sneller en gemakkelijker kan uitvoeren.

Deal met vreemden
In zijn boek doet Smith onder meer de volgende, beroemd geworden bewering:

“It is not from the benevolence of the butcher, the brewer, or the baker, that we expect our dinner, but from their regard to their own self-interest.”

Deze uitspraak is door veel economen geciteerd, maar ook vaak verkeerd geïnterpreteerd. Het lijkt erop dat Smith hier het eigenbelang predikt, dat bepalend zou zijn voor de markt. Maar dat is een verkeerde interpretatie. Volgens Smith willen we dat wat we nodig hebben het liefst in eigen kring verwerven: van familie en vrienden. Maar in de moderne samenleving kan dat niet meer. De behoeftes van de moderne mens zijn zodanig, dat hij de hulp van velen nodig heeft. Daarom kan hij niet anders dan een deal met vreemden maken. Zo’n deal is niet per se bewonderenswaardig maar wel prudent. Bewonderenswaardig blijven voor Smith mensen die genereus zijn en oog hebben voor het maatschappelijk belang. Hij hekelde dan ook zakenlui die alleen uit zijn op persoonlijk gewin. Van hen verwachtte hij weinig goeds.

 

Dit is deel 1 van een serie van drie artikelen van de hand van Arjo Klamer, hoogleraar Economie van Kunst en Cultuur aan de Erasmus Universiteit, over de invloed van filosofie op het economisch denken. In een andere vorm verschenen deze artikelen eerder in het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte

[ Dit Deel verscheen in Phronèsis Nummer 0 Oktober 2016 ]