Sign up with your email address to be the first to know about new products, VIP offers, blog features & more.

Economie is filosofie – Deel 2

De demoralisering van de economische wetenschap in de 20ste eeuw

 

door Arjo Klamer

Is marktwerking in het onderwijs een zegen of een vloek? Wie moet betalen voor kunst? Is een vertrekpremie van een paar miljoen exorbitant of juist goed? Betaalt u uw kinderen voor de klusjes die ze doen? Zouden inwonende kinderen die werken, mee moeten betalen aan het huishouden? Moeten moeders een cao hebben? Het lijken allemaal economische vragen, maar omdat ze allemaal gaan over wat goed is in het dagelijks handelen, zouden ze ook voor filosofische vragen door kunnen gaan.

Nadat Adam Smith in 1759 zijn traktaat The Theory of Moral Sentiments had gepubliceerd en daarmee zijn faam als moreel filosoof had gevestigd (zie deel 1 van deze artikelenreeks), bleef in de eeuw die volgde de economie een vak dat vooral door filosofen beoefend werd. Karl Marx (1818 – 1883) stelde in zijn werk de wantoestanden van het opkomende industriële kapitalisme aan de kaak te stellen. Hij plaatste het systeem in een historische context en zag het als immoreel: als een systeem dat indruist tegen de menselijke natuur, omdat het mensen gebruikt als productiefactoren en hen uitbuit. Andere denkers, zoals John Stuart Mill (1806 – 1873), benadrukten waarden als persoonlijke vrijheid en waren positiever gestemd over de ontwikkelingen.

 

Heuse wetenschappers

Voor de Britse economen bleef ‘het goede’ tot in de 20ste eeuw het centrale thema. John Maynard Keynes (1883 – 1947), de toonaangevende econoom van voor de Tweede Wereldoorlog, zag economie nog steeds als een morele wetenschap, gericht op de vraag naar het goede handelen. Hij ageerde bijvoorbeeld tegen speculanten op de financiële markten. Aandeelhouderschap diende iets duurzaams te zijn, onder meer om instabiliteit tegen te gaan.

Maar Keynes begon al gauw te lijken op de laatste der Mohikanen. Met de verplaatsing van de macht van het moederland Engeland naar de ooit rebelse dochter, de VS, verplaatste ook het epicentrum van het economisch denken zich van het Engelse naar het Amerikaanse Cambridge. Met de vlucht over de oceaan raakte de morele kern van het economisch denken zoek. Jonge Amerikaanse economen als Paul Samuelson en James Tobin haalden hun inspiratie uit het logisch positivisme, of een variant daarvan. Ze wilden de economische wetenschap modelleren naar de natuurkunde en zagen zichzelf als heuse wetenschappers. Hun instrument was de wiskunde. Hun doel: de invariante structuur van de economische werkelijkheid blootleggen. Net als in een Mondriaan zou de representatie abstract dienen te zijn, ontdaan van alle historische, psychologische en morele verwijzingen.

 

Economische wetenschap is in de visie van Tinbergen louter instrumenteel.

 

Louter instrumenteel

Niet onbelangrijk in de ontwikkeling van deze modernistische visie op de economische werkelijkheid was de Nederlandse econoom Jan Tinbergen. Tinbergen was een sociaal bewogen man maar in zijn opvatting horen persoonlijke, politieke en morele opvattingen niet in de wetenschap thuis. Economische wetenschap is in deze visie louter instrumenteel. De econoom is te vergelijken met een monteur die een automobilist helpt zijn vehikel zo af te stellen dat die zijn doel kan bereiken. Het is niet de taak van de monteur om te vertellen wat dat doel dient te zijn.

In de hierop volgende ontwikkeling werd de economische wetenschap steeds wiskundiger en exacter. Voor zover er sprake was van een invloed van de filosofie, betrof deze de methodologie. Economen leerden bijvoorbeeld van Karl Popper dat ze niet konden pretenderen dat hun empirisch onderzoek een hypothese zou verifiëren of bewijzen. Hun formulering werd voorzichtiger, maar het dominante denken bleef zich concentreren op abstracte, veelal wiskundige analyses. Filosoferen leek vooral een activiteit in de marge te zijn, een bezigheid voor oudere economen en een enkele jongere met wiskundige beperkingen. Voor de echte economen had het filosoferen afgedaan.

Maar hoezeer modernistische economen ook hun best deden om als natuurwetenschappers bezig te zijn, het lukte hen niet om hetzelfde effect als dat van natuurwetenschappers te bewerkstelligen. In mijn boek Speaking of Economics onderzoek ik de effecten van economisch onderzoek op beleid en constateer ik dat Tinbergen’s benadering niet werkt zoals hij had gedacht. Het is verleidelijk om hieruit te concluderen dat de wereld van het beleid economen kan missen als kiespijn. Maar dat is niet het geval.

 

Morele wetenschap

Economen hebben met hun denken wel degelijk invloed. Weliswaar geen technische invloed, zoals de modernistische economen in gedachten hadden, maar een conceptuele en filosofische. Van economen leren beleidsmakers na te denken over marktwerking, over het werken met de juiste prikkels, de nadelen van protectionisme en de redelijkheid om kosten van vervuiling door te berekenen in prijzen. Beleidsmakers en politici ontlenen aan het denken van economen allerlei concepten die ze toepassen in hun eigen denken. Zo kun je universitaire bestuurders horen spreken over klantgericht en vraaggericht werken, over de rendementen van studies en over marktwerking in het onderwijs. Wellicht zonder zich daar bewust van te zijn, denken ze als economen. Dit denken duidt de werkelijkheid en geeft richting aan het handelen. Het is blijkbaar goed om het onderwijs klantgericht te maken, om in te spelen op de wensen van studenten. En het is goed docenten af te rekenen op hun resultaten. Op deze manier werkt de economische wetenschap prescriptief en normerend. Zij vertelt mensen wat te doen en wat niet. Althans dat is het, momenteel onbedoelde, effect van de economische wetenschap. Dus naar buiten toe blijft economie vooral een morele wetenschap.

 

Dit is deel 2 van een serie van drie artikelen van de hand van Arjo Klamer, hoogleraar Economie van Kunst en Cultuur aan de Erasmus Universiteit, over de invloed van filosofie op het economisch denken. In een andere vorm verschenen deze artikelen eerder in het Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte

[ Dit Deel verscheen in Phronèsis Nummer 1 Maart 2017 ]