Sign up with your email address to be the first to know about new products, VIP offers, blog features & more.

Publieksfilosofie: iets meer jazz van de benedenverdieping

Posted on

Door: Leon Heuts

Dit artikel is verschenen in Phronèsis nr. 8, november 2019. U kunt het hele magazine bestellen in de webshop van de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie (HTF).

Mijn eerste stappen in de publieksfilosofie waren de met bier doordrenkte avondjes van studentenvereniging Sapientia Ludenda op de tweede verdieping van het Tilburgse jazzcafé ‘De Voortuin’. Terwijl beneden flarden trompet en saxofoon van Miles Davis en Charlie Parker klonken, nodigden wij boven docenten uit om met elkaar in debat te gaan. De avondjes waren voor iedereen toegankelijk, hoewel er alleen studenten waren; ´autochtone´ Tilburgers waagden zich er nooit binnen.

Fotograaf: Juno Jo

Ik kan me nog een avond herinneren waarop een forse hegeliaan empirische wetenschap – zeg maar alles behalve filosofie – typeerde als ‘hooguit nuttig’. Het was een aardige beschrijving van de sfeer op de faculteit – en ongetwijfeld op veel andere filosofiefaculteiten, waar dan ook. Een sfeer die me overigens dierbaar is gebleven, vanwege de onverbiddelijke strengheid. In filosofie gaat het om de waarheid. Dat betekent: de geest ontdoen van de beheksing van vooroordelen en meningen, verkeerd taalgebruik, bedrieglijke zintuiglijke ervaringen, praktische of nuttige overwegingen et cetera. Totdat er een ideale en coherente wereld overblijft en de filosoof enigszins denigrerend ‘jammer voor de feiten’ mompelt, als de échte wereld daar niet helemaal aan voldoet. Zelfs als het wetenschap is. Laat staan het ondermaanse gekrioel wat zoal op die wereld rondkruipt.

Blinde vlekken

Het is natuurlijk een beetje een karikatuur – en laat ik duidelijk zijn: deze strengheid is juist in deze tijd van fake news, sentimenten en polarisatie zeer belangrijk. Maar geheel onwaar is ze niet. Filosofiefaculteiten zijn nog steeds vaak in zichzelf gekeerd, en deels is dat de prijs van institutionalisering. Het voorspelbare resultaat van jaren van training, socialisering en onderdompeling in het systeem. Er ontstaan bepaalde blinde vlekken – bijvoorbeeld dat deze plekken van waarheidsvinding ook bolwerken van witte, bevoorrechte mannen zijn. Hoe verhoudt zich dat tot – bijvoorbeeld – ethische of politieke theorieën? Wat is het uitgangspunt? Los van morele problemen van gebrek aan diversiteit, lijkt mij er ook een epistemologisch probleem van bias. Achter de waarheidsvinding gaat overigens vaak rancune en machtsstrijd schuil; dat zegt niets over de nobele zoektocht naar zuivere methodiek en coherentie op zichzelf, maar wel over hoe het in de praktijk vaak uitpakt.

Publieksfilosofie ontstaat als filosofen de wijde wereld ingaan om zich uit te laten over actuele zaken.

Ankerpunten

Nu kun je zeggen dat die faculteiten dat zelf maar moeten uitvechten, maar deze kwestie is zeer dringend als het gaat om wat ‘publieksfilosofie’ wordt genoemd. Publieksfilosofie ontstaat als filosofen de wijde wereld ingaan om zich uit te laten over actuele zaken. De publieksfilosofie is inmiddels een zeer bloeiende en vormrijke discipline geworden, maar de structuur is vaak dezelfde. Of het nu gaat om lezingen, opinies, commentaren of cursussen: de filosoof deelt zijn inzichten met de wereld en probeert het een beetje begrijpelijk uit te leggen, de wereld luistert aandachtig en gaat verrijkt door het leven (of over op de orde van de dag, als je meer cynisch bent aangelegd).

Het is tamelijk eenzijdig verkeer, en dat is ook precies de bedoeling. In deze tijd van grote verwarring zonder vanzelfsprekende hiërarchie, met middelpunt zoekende krachten, is er behoefte aan ankerpunten. Zoals Antoine Verbij in 2000 al opmerkte in Denken achter de dijken – de eerste studie naar de opkomst van publieksfilosofie in Nederland: dit is een land van dominees, en de lege plek na de secularisering is voor filosofen een aardige groeimarkt. Dus filosofen dalen graag af van de berg Olympus, in een onderneming die door Martin Slagter ook wel de ‘theezakjesmethode’ is genoemd. Ze dippen het theezakje, dat allereerst was bestemd voor academische filosofie, graag in het kopje van de publieksfilosofie.

Publieksfilosofie is in deze opvatting een verdunning van de academische filosofie – een afgeleide. Of het nu om klimaatverandering, populisme, technologie, economie, geluk, carrière, liefde of seks gaat: de filosoof wordt opgevoerd – en voert zichzelf op – als deskundige. Dit kan zelfs een zeker narcisme voeden, en dat bedoel ik beslist niet kwaadaardig. Het is de volstrekt begrijpelijke houding van blijven hangen in eigen ideeën of idealen, niet écht contact maken met anderen en proberen te verdoezelen dat je het zelf ook niet altijd weet. Bovenal wil je beslist niet in verwarring worden gebracht omdat de wereld niet aan je zo mooi coherent uitgewerkte gedachten voldoet. Mocht dat zo zijn, dan is dat jammer voor de feiten.

Volwassenwording

De vorm van het gesprek is er vaak ook niet naar; die blijft vaak beperkt tot een setting waarin de filosoof mensen toespreekt, of in de media bijna post scriptum wordt opgevoerd – als in de middeleeuwse scholastische Quaestio, waar ‘de filosoof’ aan het einde van een uitputtende dialectische vraagstelling het eindoordeel velt. Dat andere vormen evengoed de menselijke conditie kunnen uitdrukken –  ik noem muziek, poëzie, literatuur, theater, dans et cetera – weet de filosoof wel, maar hij kan het vaak toch niet laten er een laatste plasje over te doen. De kunst dient vaak als een soort retorische illustratie om zijn punt te maken (“Goethe drukt precies uit wat ik bedoel”). Een tönender metaphysik, zoals Duitse filosofen dat zo mooi uitdrukken – in een mengeling van afgunst en verlangen (iedere filosoof had liever dichter of muzikant willen zijn) en toch ook een zweempje dedain.

Ik denk dat een dergelijke houding zowel de filosofie als de wereld tekort doet. Er ligt zo veel meer rijkdom voor het oprapen als de filosoof zich daadwerkelijk engageert met de wereld en ook bereid is om zelf te veranderen door wat hij ervaart. Dat vereist volgens mij zowel inhoudelijk als in vorm openstaan voor experimenten en methoden van andere disciplines. Wat mij betreft ontwikkelen we die aan de Hogeschool voor Toegepaste Filosofie. Ik denk dat dit een echte volwassenwording voor publieksfilosofie zou kunnen zijn. Het gaat verder dan: hoe vertaal ik filosofie naar een breed publiek (hoe belangrijk die vaardigheid ook is). Maar eerder: wat betekent interactie met de wereld voor mij als filosoof?

Het vreemde is dat er maar weinig is nagedacht over wat het voor de filosofie betekent om ‘in’ de wereld te zijn.

Fameuze plek

Daarmee wil ik de filosofische expertise overigens niet tekort doen. Die is belangrijk en moet worden gekoesterd. Wie in een publieke setting een keer naar Hegel verwijst, is nog geen filosoof – dat vereist jaren aan studie. Het zou goed zijn als de media dat inzien. De filosofische expert heeft zijn plek in het publieke debat, maar ik pleit voor interactie met de wereld – waarmee er ook voor die expert zelf iets op het spel staat.

Om toch de filosofie erbij te halen: natuurlijk denk ik in eerste instantie aan het begrip ‘wereld’ van Hannah Arendt. Die fameuze plek waarin we pas écht mens worden, meer zijn dan nooddruftige wezens die iedere dag weer moeten zwoegen om te kunnen eten en wonen. Het vreemde is dat er maar weinig is nagedacht over – of geëxperimenteerd met – wat het voor de filosofie betekent om ‘in’ die wereld te zijn. Tussen de (fysieke) aanwezigheid van anderen, met verschil van meningen en standpunten, wisselende omstandigheden, gebruik makend van retoriek en overtuigingskracht, geconfronteerd met wensen, verlangens, vragen, hoop, kwetsbaarheid, angst, macht, spel, strijd. In deze wereld zetten we meteen onszelf op ons spel – niet alleen omdat we door anderen kunnen worden overtuigd, maar meer fundamenteel.

Echt mens zijn, betekent: jezelf in de wereld begeven, tussen mensen zijn (‘interesse’) – een ruimte die ons scheidt en tegelijkertijd verbindt, en die vraagt om een voortdurende bemiddeling. In deze wereld verlaten we de geïsoleerde positie van de eenling (‘solusipse’), en zijn we meteen verbrokkeld en vervreemd. Het is niet zozeer zelfverlies, maar eerder een grenservaring, waarbij het onduidelijk is waar ‘ik’ ophoudt en ‘de ander’ begint.

Tegen alléén mezelf kan ik betogen waarom ik tegen vluchtelingen ben. En dat lukt ook nog zonder problemen met mensen die denken als ikzelf, zoals in de echokamers op sociale media. De reden waarom sociale media zo’n bedreiging voor de ‘wereld’ kunnen zijn: ze bieden geen ruimte, er is geen echte interesse. Maar geconfronteerd met de noden van een vluchteling, weet ik het niet meer zo goed… Wat wil ik nu echt? Waar sta ik nou? Uiteraard wordt in deze twijfel een verrijkt ‘zelf’ geboren, maar het is een zelf dat meteen ook meer poreus is.

Menselijke conditie

Je kunt zeggen dat filosofische reflectie hier weinig heeft te zoeken. Laat die wereld maar de wereld zijn. Maar ik denk dat publieksfilosofie echt een meerwaarde heeft. Ten eerste om voortdurend te onderzoeken wat er gebeurt, wat de kwaliteit is van die ‘wereld’, of als ‘interpreet’ tussen verschillende geluiden – als een soort bootsman (Lyotard). Maar onvermijdelijk betekent dit ook dat de verdeeldheid van ‘de wereld’ terugslaat op de filosofie zelf, en vraagt om nieuwe manieren van verbinden. Er wordt geknaagd aan de theorieën, door mensen die zo vervelend zijn om het er ‘zo maar’ niet mee eens te zijn, of ze niet kunnen volgen. Of door omstandigheden, die de theorie nét even niet goed uitkomen. Maar misschien nog wel meer doordat een theorie uiteindelijk nooit door de ziel snijdt, terwijl filosofie toch pretendeert te gaan over de menselijke conditie. Zoals Rorty ooit memoreerde: Het boek De negerhut van oom Tom heeft vermoedelijk meer voor de afschaffing van de slavernij gedaan dan alle filosofische principes bij elkaar. Maar ook daar kan de publieksfilosofie van grote waarde zijn: door de eigen grenzen te onderkennen en de theorie te bloot te stellen aan andere vormen van expressie.

Hier vinden we ingrediënten voor een publieksfilosofie die ook echt publiek durft te gaan.

Begin van ethiek

Onlangs woonde ik een act bij van filosoof Simone van Saarloos, tijdens een performance philosophy event in Amsterdam. Zij vroeg – schijnbaar als grap – aan de aanwezigen om 20 seconden de adem in te houden. Wat was dit? Een concentratieoefening? Meteen daarna bleek dit de duur van de wurggreep die in 2014 een einde maakte aan het leven van Eric Garner, een zwarte arrestant die door een agent in een armklem werd gehouden. Natuurlijk bevatte de act ‘klassieke’ filosofische theorie. Maar geen theorie bracht de morele schok dichterbij dan dit begin. Sterker nog: ook het opgenomen fragment van de arrestatie en de dood niet. Het theatrale aspect, de relatie tussen van Saarloos en het publiek (dat evengoed woedend had kunnen reageren), de poging tot re-enactment: bij elkaar sneed het dwars door de ziel. Fuck. En we deden er allemaal nog aan mee ook, we vonden het zelfs wel leuk…

Is de schok niet het begin van ethiek, volgens Emmanuel Levinas? De ander die zomaar, hulpeloos, ons blikveld binnendringt? Wat betekent het voor de filosofie, dat we wel over die schok kunnen theoretiseren, maar niet invoelbaar kunnen maken? Ik zeg daarmee niet dat filosofen eigenlijk kunstenaars zouden moeten zijn; maar vruchtbaar experimenteren met wat beide verschilt en verbindt, lijkt mij bijzonder verrijkend. De filosoof heeft hier beslist zijn expertise aan toe te voegen, maar erkent ook waar hij er niet slaagt om de menselijke existentie uit te drukken. Je zou het nog steeds een hegeliaanse dialectiek kunnen noemen – tussen theorie en expressie, maar zonder oplossing. De spanning blijft volop bestaan.

Down and dirty

Binnen de huidige structuur van media en cultuur valt de ontwikkeling van een dergelijke, daadwerkelijke publieksfilosofie niet mee. Die structuur is immers vaak geënt op ‘wij vertellen en u luistert’. Is dat daadwerkelijk ‘in’ de wereld zijn? Maar er zijn wel degelijk steeds meer experimenten, met inhoud en vorm, en het lijkt mij leuk om die bij de HTF ‘binnen te halen’. Begrippen als ‘context’, ‘situatie’, ‘netwerk’ en zelfs ‘design thinking’ (een productieproces van voortdurend ontwerpen, testen en reflectie) vinden een ingang.

Ik noemde eerder al performance philosophy. Ook in techniekfilosofie is er een gevoeligheid voor situatie en netwerk, onder meer bij Peter-Paul Verbeek, Jos de Mul, Bruno Latour en Donna Haraway. Misschien niet zo vreemd, omdat de verstrengeling tussen mens en techniek als fenomenologisch startpunt per definitie al een vervreemding veronderstelt. Waar houd ik op, en begint mijn mobiel? Iedere technische ontwikkeling verandert daarbij onze betrokkenheid op de wereld, met steeds weer nieuwe ethische vragen. Daar ligt een taak voor filosofen: hoe richt je dit ethische proces in? Ook interessant zijn experimentele vormen van publiek debat, zoals die worden ontwikkeld door Building Conversation van onder meer theatermaker Lotte van den Berg. Als inspiratiebronnen gelden Chantal Mouffe en gesprekstechnieken uit de Maori filosofie.

Hier vinden we ingrediënten voor een publieksfilosofie die ook echt publiek durft te gaan. Geen afgeleide, maar een volwassen discipline, in gesprek en creërend met anderen en andere vormen van menselijke expressie. En misschien zelfs, om het helemaal maar bont te maken, ook niet-menselijke expressie. Donna Haraway spreekt in Staying with the trouble van ‘critters’: alles wat groeit en krioelt, net boven of in de aarde, en wat op allerlei onverwachte manieren relaties met elkaar aangaat. Het devies is dat publieksfilosofie een beetje meer down and dirty mag worden. Iets meer jazz van de benedenverdieping.