Auteur: Ivana Ivkovic
Datum: 30 maart 2022
Deel artikel
Met filosofische ogen naar het Regeerakkoord kijken.

Het nieuwe Regeerakkoord: kunnen wij ons nog in de politiek herkennen?

“Ik weet steeds minder goed wat ik ervan moet vinden,” zei een vriendin tegen mij nadat het nieuwe Regeerakkoord, na lang wachten, eindelijk gepubliceerd werd. Dat is best gek, want die vriendin weet heel goed wat zij vindt van, bijvoorbeeld, de klimaatcrisis: “Wij hebben écht geen excuus om nog langer te wachten!”, of van armoedebestrijding: “Het is toch belachelijk dat wij in zo’n rijk land nog steeds mensen hebben die in armoede leven!”

Mijn vriendin bedoelde vooral dat zij het lastig vond om de politieke kleur, de algehele koers van Rutte IV te beschrijven. Immers, op sommige punten lijkt het kabinet grote beslissingen te nemen, maar dan toch weer op zijn schreden terug te keren, of alsnog een andere richting in te slaan. Zo worden er miljarden uitgetrokken om de klimaatdoelen te halen, maar inkrimping van de veestapel blijft nog steeds een taboe. Er wordt geïnvesteerd in kansengelijkheid en meer bestaanszekerheid, maar bezuinigd op de zorg en de jeugdhulp - twee sectoren die juist nu door corona extra onder druk zijn komen te staan.

Filosofisch mantra

Die vriendin vroeg of ik, als politiek filosoof, er wel iets van begreep. Kon ik met behulp van filosofie een ander licht laten schijnen op deze beleidsvoornemens? Kon ik, vroeg ik mij af, een beter antwoord geven dan het voor de hand liggende: dit is wat je nu eenmaal krijgt als je met veel partijen lang onderhandelt - een politiek compromis? Ik wilde niet de gebruikelijke filosofische mantra uit de kast halen. De ‘oude’ politieke categorieën van links-versus-rechts of sociaal-versus-liberaal zijn versleten en niet langer geschikt om onze hedendaagse politiek te begrijpen. Ik wist dat mijn vriendin op zoek was naar handvatten om te begrijpen wat er nu wél gebeurt en geen behoefte had aan een lesje over hoe de politiek níet langer werkt. Bovendien zeggen politieke beslissingen iets over wie wij, als politieke gemeenschap, willen zijn: hoe wij willen leven, hoe wij met elkaar willen omgaan - en daar ontbrak nu een helder zicht op. Wat zegt dit Regeerakkoord over ons?

Kortom: ik probeer te ontrafelen hoe het innerlijke mechaniek van een systeem werkt.

Filosofische anatomieles

In de manier waarop ik filosofie gebruik in mijn dagelijks werk: in het onderwijs dat ik geef en in de maatschappelijke en politieke analyses bedoeld voor advies of een artikel, probeer ik altijd iets te benoemen wat ongezegd blijft - impliciete veronderstellingen, uitgangspunten, manieren van kijken. Ik probeer te laten zien hoe die veronderstellingen doorwerken, hoe ze onze keuzes sturen en vormgeven. Kortom: ik probeer te ontrafelen hoe het innerlijke mechaniek van een systeem werkt. Dit levert geen kant-en-klare antwoorden op, maar opent wel nieuwe zichtlijnen. Die zichtlijnen zijn belangrijk om te weten waar we staan en waar we heen gaan, ook als het gaat om het nieuwe Regeerakkoord. Daarom hier: een filosofische anatomieles. De patiënt: het coalitieakkoord van Rutte IV, getiteld: ‘Omzien naar elkaar, vooruitkijken naar de toekomst.’

Als je iets van dit Regeerakkoord wilt begrijpen, zo luidt mijn stelling, dan moet je niet praten over de politieke koers, maar over de benadering van maatschappelijke problemen die je erin aantreft. Bijvoorbeeld: de aanpak van armoede. Voor het eerst is er een minister van Armoedebeleid: Carola Schouten van de ChristenUnie. Het nieuwe kabinet wil het
aantal kinderen dat in armoede opgroeit, de komende jaren halveren. Dat is een stevig voornemen. Maar de manier waarop dit uitgevoerd wordt, is hier veelzeggend.

Wirwar van regels

Regeerakkoord (markus winkler)

Schouten wil dat overheidsinstanties persoonsgegevens kunnen delen om minima te traceren. Het gaat hier specifiek om een groep die een onvolledige AOW ontvangt en recht heeft op een toelage, maar daar geen gebruik van maakt. De minister zegt iets te willen doen aan de wirwar van regels waarin mensen soms de weg kwijtraken. Het merkwaardige is dat ze niets aan dat complexe systeem van regels zelf doet. Er wordt juist een telelens van gekoppelde databestanden ingezet om de burgers die verdwaald zijn in dit labyrint, zichtbaar te maken. Bovendien wordt armoede niet geplaatst in een brede sociaaleconomische context, niet gezien als een probleem dat je met herverdeling zou moeten oplossen. Het is eerder een lokale opeenhoping van tekorten en achterstanden, en je moet even aan de juiste knoppen draaien om dat te corrigeren. Iets vergelijkbaars zie je ook op andere beleidsterreinen, zoals het onderwijs. Het toverwoord is ‘kansengelijkheid’. De bedoeling is om bepaalde knelpunten op te sporen waar het onderwijsproces stokt en maatwerk te bieden om de doorstroming weer op gang te krijgen.

Filosofisch brilletje

Wie dit beleid met een filosofisch brilletje wil bekijken, kan te rade gaan bij de Franse denker Michel Foucault. Hij constateert een ingrijpende verandering in de politiek. Volgens Foucault staat niet langer de vraag centraal wat de juiste politieke inrichting van een samenleving is. In plaats daarvan komt de nadruk te liggen op de vraag wat een goede manier is om de samenleving te reguleren. Bij Foucault heet dit ‘bestuurlijkheid’, dat vaak wordt uitgelegd als: ‘politiek is een soort management geworden’. Op zich klopt dat wel, alleen maakt die uitleg nog niet duidelijk hoe diep die transformatie eigenlijk gaat en welke implicaties ze heeft. Ik wil hier die diepte inzichtelijk proberen te maken, onder andere aan de hand van het armoedebeleid.

Het heeft grote gevolgen of je armoede ziet als het effect van bepaalde politieke beslissingen in het verleden. Je krijgt dan onmiddellijk een klassieke politieke discussie of wij de maatschappelijke inrichting die daar het gevolg van is, moeten veranderen. En hoe we dat kunnen doen. Als je armoede daarentegen ziet als een reguleringsprobleem, dan wordt die discussie anders en complexer. Niet de structuren zelf staan dan ter discussie, maar de vraag hoe je binnen die structuren het beste kan sturen. Je zou kunnen betwisten dat de voorgestelde regulering effectief is. Worden hiermee de juiste mensen bereikt en worden ze boven de armoedegrens uitgetild? Die discussie is meteen lastig, want je hebt inzicht nodig in heel veel complexe processen die op bepaalde punten niet goed werken en die leiden tot armoede als een soort lokale ‘ontregeling’. Sommige mensen hebben een slechte startpositie of ze lopen achterstanden op in het onderwijs, ze hebben misschien gezondheidsproblemen, mogelijk maken ze verkeerde keuzes. Alleen een grote hoeveelheid data zou dit inzichtelijk kunnen maken.

Het heeft grote gevolgen of je armoede ziet als het effect van bepaalde politieke beslissingen in het verleden.

Datavergaring

Foucault wijst erop dat deze vorm van politiek niet kan bestaan zonder een specifiek soort kennis, gebaseerd op data en data-analyse, want dat is de geijkte manier om complexe processen inzichtelijk te maken. Vanuit deze optiek is het geen toeval dat armoedebeleid nu berust op de koppeling van gegevensbestanden, want zonder data is regulering blind. Het zal weinig verschil maken dat we - zeker sinds de toeslagenaffaire - ons ervan bewust zijn dat aan datavergaring bepaalde gevaren kleven. Het is niet waarschijnlijk dat de tendens om steeds meer data te verzamelen en met elkaar te combineren zal keren, want die tendens zit in deze vorm van politiek bedrijven ingebakken.

Maar regulering zet de democratie ook onder druk, want lang niet iedereen kan zulke analyses maken en niet iedereen heeft toegang tot de relevante data. En hoe moet je een eigen mening vormen over een bepaalde maatregel, als het niet inzichtelijk is welke effecten die heeft? Politiek wordt een stuk minder transparant voor ‘de gewone burger’, zoals die vriendin van mij die niet weet wat ze ervan moet denken.

Liberale inslag

Wie in de politiek van regulering een principieel standpunt probeert te ontwaren, grijpt telkens mis. Bezien vanuit de reguleringslogica is het bijvoorbeeld helemaal niet inconsistent om de stikstofproblematiek te willen aanpakken én de veeboeren met rust te laten, zoals dit kabinet doet. Foucault stelt dat politiek lang gebaseerd is geweest op een autoriteit die zich laat gelden, die wetten en regels oplegt, en vooral ‘nee’ weet te zeggen tegen de burger. Maar lijnrecht tegen de burger ingaan levert doorgaans geen efficiënte regulering op - denk bijvoorbeeld aan de boeren die met hun landbouwmachines op het Malieveld gingen protesteren. Een politiek van regulering is op een bepaalde manier meegaand, want je kan ook andere knoppen proberen te vinden waaraan je kunt draaien en waar wellicht wat minder weerstand op zit.
Het merkwaardige is dat die meegaandheid slechts één kant van de medaille is. Enerzijds heeft regulering inderdaad een liberale inslag. Individuele keuzevrijheid en ‘jezelf kunnen zijn’ staan hoog in het vaandel. 

Zo ook in het nieuwe Regeerakkoord. Op zich is dat niet zo verrassend met een liberale partij aan het hoofd. Maar het valt op dat ook de bestrijding van discriminatie en racisme nu onder hetzelfde kopje valt: ‘naar een samenleving waarin iedereen zichtbaar zichzelf kan zijn’. De aandacht verschuift daarmee van de inherente onrechtvaardigheid van discriminatie en racisme, naar het feit dat ze een obstakel zijn voor de vrijheid van het individu.

Sturing van keuzes

Hier pikt Foucault een cruciaal en fascinerend punt op: hoewel aan individuele keuzevrijheid niet getornd mag worden, wordt die keuzevrijheid tegelijkertijd een nieuw domein van overheidsingrijpen. De burger wordt wel vrijgelaten in zijn of haar keuzes, maar zeker niet met rust gelaten. Met de juiste duwtjes in de rug - in het Engels bekend als nudging - kan de burger ertoe bewogen worden andere keuzes maken. Met andere woorden: de burgers zelf worden een knop waaraan de regering kan draaien. Dit is duidelijk zichtbaar in het Regeerakkoord, bijvoorbeeld wanneer gezondheidszorg wordt toegespitst op ‘preventie, gezondheid en bewegen’. Want vijf miljard bezuinigen op ziektekosten kan wél als mensen maar minder vaak ziek worden. Ook de spreiding van de betaling van het eigen risico kun je in dit licht zien: als de financiële drempel wordt verlaagd, zijn mensen eerder geneigd om tijdig hulp te zoeken. Wij zijn inmiddels gewend om dit als een ‘slimme’ bezuinigingsmaatregel te zien, maar de les die ik hieruit met behulp van Foucault probeer te trekken, is: zie het vooral als een vorm van sturing van keuzes. Op andere gebieden gebeurt hetzelfde. Zo worden de burgers naar meer milieubewuste keuzes gestuurd door onder andere de invoering van rekeningrijden.

De politiek van regulering heeft vaak de kritiek geoogst dat ze ten diepste depolitiserend zou zijn.

Status quo

Die combinatie van keuzevrijheid én sturing is een vreemd huwelijk. Gaat de politiek mee met wat de burger wil of leidt dit tot een toenemende controle? In regulering lijken deze twee hand-in-hand te gaan. In de praktijk zie je burgers die zich niet gehoord voelen en politici die zeggen: ‘wij hebben écht geluisterd’. En juist het feit dat het zo lastig is om hier een heldere grens te trekken, maakt de kloof tussen burger en overheid dieper draagt bij aan een gevoel van vervreemding.

De politiek van regulering heeft vaak de kritiek geoogst dat ze ten diepste depolitiserend zou zijn. Daarmee wordt bedoeld dat de politieke keuzes die aan de grondslag van ons systeem liggen, niet langer als keuzes worden gezien. Kamerlid Sylvana Simons uitte een dergelijke kritiek op het nieuwe Regeerakkoord. In haar ogen spreekt uit het Regeerakkoord de idee dat de manier waarop wij onze samenleving hebben ingericht, in de kern wel op orde is. Zij ziet dit als een vorm van ideologie die de status quo van de bestaande orde in stand wil houden - een orde die zij bekritiseert als onrechtvaardig. Ik ben geneigd om haar gelijk te geven, in zoverre ik in het Regeerakkoord een vorm van politiek zie die niet langer bezig is met architectuur, maar met sturing. Toch lijkt het probleem mij wat ingewikkelder. Bij1 en dit kabinet spreken simpelweg niet dezelfde politieke taal en wat Simons als ‘de orde’ ziet, is vanuit het perspectief van regulering helemaal geen vaststaande structuur maar slechts een ‘proces’, dat door sturing ook zelf verandert. De kwestie van het behoud van de status quo is daarin helemaal niet aan de orde. De kritiek van Simons loopt daarom het risico om in het niets te vallen.

Utopische verwachting

Misschien zouden we daarom gebaat zijn bij een andere soort kritiek: een kritiek die de verwachtingen en de effecten van politiek-als-regulering zorgvuldig ontleedt en ter discussie stelt. Die vragen stelt als: In hoeverre is het mogelijk om de juiste knoppen te vinden waaraan je kunt draaien en wanneer wordt dit een utopische verwachting? Wat doet het met ons als samenleving dat wij op zo’n manier transparant worden gemaakt? En wat als wij de juiste knoppen zouden weten te vinden en in staat zijn onze maatschappij heel fijn te reguleren, maar wij ons niet langer kunnen herkennen in de politiek? Als we niet langer een verband kunnen leggen tussen de beslissingen die we nemen en wat deze beslissingen zeggen over wie wij zijn en waar we voor staan? Willen wij wel zo’n politiek?

En die vriendin? Die zei dat ze zou willen stemmen op een partij die zulke vragen stelt.

Geef een reactie

Abonneer
Laat het weten als er

2 Reacties
Inline feedbacks
Bekijk alle reacties
Tanja
2 jaren geleden

Leuke beschouwing. Om actueel te zijn wel van belang om die ene zin in de 2e alinea te updaten: "inkrimping van de veestapel blijft nog steeds een taboe".
Dat inkrimping niet aan de orde is, staat namelijk nergens in het Coalitieakkoord (toegegeven, er staat ook nergens expliciet dat er wél een inkrimping van de veestapel op komst is). Maar nu de stikstofplannen van het kabinet gepubliceerd zijn en de boerenprotesten het nieuws domineren, kan niemand er meer omheen dat in bepaalde gebieden er echt minder ruimte is voor stikstofuitstoot en (dus) intensieve veelhouderij.

Tanja
2 jaren geleden

Nu ik wat verder lees - er staat ook nergens in het Coalitieakkoord: "Schouten wil dat overheidsinstanties persoonsgegevens kunnen delen om minima te traceren." 

En zo zie ik nog een paar thema's langskomen in dit artikel die weliswaar op dit moment op de politieke agenda staan, maar níet letterlijk zo in het Coalitieakkoord zijn opgenomen, danwel erg selectief uit dat document van 47 kantjes zijn gevist.

De titel en inleiding van dit artikel wekken wel de indruk dat het zou gaan om een analyse van het Coalitieakkoord (en níet om een door de auteur opgestelde selectie van thema's en uitspraken van huidige leden van het kabinet die (toevallig?) goed passen bij de pointe(s) die de auteur wil maken).

Begrijp me niet verkeerd, ik wil geenszins het Coalitieakkoord of het kabinetsbeleid in den brede verdedigen, en ik vind het júist goed om daar, met elkaar, een scherpe analyse op los te laten.
Maar laten we dan wel zorgvuldig benoemen wáár de aangehaalde voorbeelden allemaal vandaan komen.

Gaat het (alleen maar) over het Coalitieakkoord? Of ook over een beleidsbrief van een minister? Een uitspraak of analyse in de krant? Een debat in de Kamer? In dit artikel volgens mij allemaal, en mogelijk nog wel wat meer. De titel suggereert echter een nauwere focus, namelijk (alleen) het Coalitieakkoord.

Daar zou ik overigens wel heel benieuwd naar zijn, die nauwere focus en filosofische analyse van het Coalitieakkoord. Dat document is mogelijk in eerste instantie een weerslag van een jaar van onderhandelingen, compromissen, geven en nemen tussen coalitiepartners - en pas in tweede instantie een gedeelde visie op de toekomst van Nederland. Welke filosofische analyse kunnen we daar op los laten?

Neem contact op met de redactie van Phronèsis Magazine
Heb je een goed idee, wil je met ons van gedachte wisselen of heb je een vraag? We horen graag van je.
Contact opnemen
paperclipcamera-videobookmagnifiercrossmenu
linkedin facebook pinterest youtube rss twitter instagram facebook-blank rss-blank linkedin-blank pinterest youtube twitter instagram